Aandelenopties en managementvennootschappen: nieuwe Circulaire verduidelijkt forfaitaire waardering

Aandelenopties versterken niet alleen de band en het engagement van de medewerkers ten aanzien van hun opdrachtgever, maar de ontvangers van de aandelenopties worden daarop ook nog eens gunstig belast. Zij betalen immers geen belastingen op het werkelijke voordeel, maar slechts op een (lager) forfaitair geraamd voordeel. In een nieuwe Circulaire verduidelijkt de fiscus hoe dat forfaitair voordeel moet worden begroot indien de aandelenopties rechtstreeks worden toegekend door de werkvennootschap aan de zaakvoerder van een managementvennootschap.

Fiscaal gunstregime voor aandelenopties

Het fiscaal gunstregime inzake aandelenopties werd ingevoerd door de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (de “Aandelenoptiewet”).

Het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet is ruim geformuleerd en laat – volgens sommigen – toe dat onder de begunstigden die fiscaal voordelig aandelenopties kunnen ontvangen bijvoorbeeld ook de zaakvoerder van een managementvennootschap kan gerekend worden die aan een werkvennootschap managementprestaties verstrekt. Men maakt dus als het ware abstractie van de managementvennootschap.

Halvering van het forfaitair voordeel: ook voor zaakvoerders van managementvennootschappen?

Indien de voorwaarden van de aandelenoptiewet zijn voldaan, dan wordt het belastbaar voordeel forfaitair geraamd. Het belastbaar bedrag van het voordeel is in principe gelijk aan 18% van de waarde van de aandelen waarvoor de opties worden uitgereikt. Dit percentage mag worden gehalveerd indien aan bepaalde voorwaarden cumulatief is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat de optie betrekking moet hebben “op aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid word uitgeoefend of op aandelen van een andere vennootschap die een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming heeft in de eerstgenoemde vennootschap”.

Wanneer men aanneemt dat ook de zaakvoerder van een managementvennootschap die aan een werkvennootschap managementprestaties verstrekt kan genieten van het gunstregime van de Aandelenoptiewet, dan zorgt deze voorwaarde er in elk geval voor dat geen toepassing kan worden gemaakt van de halvering van de tarieven. De zaakvoerder oefent zijn beroepswerkzaamheid immers uit in de managementvennootschap en niet in de werkvennootschap op wiens aandelen de opties betrekking hebben.

Toch oordeelde de Centrale Administratie dat in het laatste geval de halvering van het forfaitair voordeel toelaatbaar was, maar wel onder strikte voorwaarden:

  • De managementvennootschap mag niet alleen (management)diensten verstrekken in de werkvennootschap maar moet in laatstgenoemde ook een bestuursmandaat waarnemen
  • De zaakvoerder is als vaste vertegenwoordiger aangesteld van de managementvennootschap
  • De opties worden minstens drie jaar lang aangehouden

Nieuwe Circulaire brengt een einde aan polemiek

Het standpunt van de centrale diensten bracht een hele polemiek op gang. Er was duidelijk geen eensgezindheid over dit onderwerp binnen de fiscale administratie. De Minister van Financiën liet in de pers verstaan dat de aandelenopties moeten worden toegekend aan de managementvennootschap en niet aan de zaakvoerder. De gunstige forfaitaire waardering uit de Aandelenoptiewet is bijgevolg niet van toepassing.

De Minister kondigde ook aan dat het administratief standpunt nog zou worden meegedeeld in een administratieve Circulaire. Die Circulaire werd op 13 april gepubliceerd. De volledige tekst vindt u hier. In de Circulaire wordt verduidelijkt dat de halvering van het forfaitair voordeel niet kan worden toegepast omdat de voorwaarde dat de optie betrekking moet hebben op aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid word uitgeoefend, niet is voldaan.

Opmerkelijk is wel dat de Circulaire minder ver gaat dan de Minister oorspronkelijk had aangekondigd. Eerder meldde hij immers dat het fiscaal voordeel in de voorliggende situatie moest berekend worden tegen de werkelijke waarde van het onderliggende aandeel op het ogenblik van de toekenning. Met andere woorden, in de oorspronkelijke visie van de minister kon de forfaitaire taxatie waarin de Aandelenoptiewet voorziet in het geheel niet worden toegepast. In de circulaire werd dit afgezwakt tot de niet-toepassing van de halvering van het voordeel.

De Circulaire is slechts van toepassing “op aandelenopties waarvan de datum van het aanbod na de datum van publicatie van deze Circulaire valt”. Zaakvoerders van managementvennootschappen die voor (of op?) 13 april 2017 aandelenopties kregen toegekend, kunnen dus wél van de gunstige waardering aan 9% genieten.

Wat met aandelenopties toegekend aan de managementvennootschap?

De regeling van de Aandelenoptiewet is enkel van toepassing voor opties toegekend aan fysieke personen. De hiervoor besproken forfaitaire waardering van de belastbare basis is dus uitdrukkelijk niet van toepassing wanneer de opties worden toegekend aan de managementvennootschap zelf en niet de zaakvoerder.

Een recente ruling (ruling 2015.532 van 2 februari 2016) verduidelijkt wat de fiscale gevolgen zijn als de opties aan de managementvennootschap worden toegekend. In deze ruling kreeg de managementvennootschap de kans om opties te verwerven. De vennootschap kreeg die opties echter niet gratis, maar moest een optiepremie betalen aan de uitgever van de opties. Uit de ruling blijkt dat er over de prijs van de optiepremie langdurig onderhandeld was tussen de partijen. Dit alles doet de Rulingcommissie besluiten dat de optiepremie marktconform was en dus geen aanleiding kon geven tot een zogenaamd ontvangen abnormaal of goedgunstig voordeel (art. 207 WIB 92) en evenmin tot een winst (art. 24, lid 1, 1° WIB 92) in hoofde van de verkrijger van de optie.

Voornoemde ruling suggereert dat bij een gratis verkrijging, er wel degelijk sprake zou kunnen zijn van een onmiddellijke noodzaak tot winsterkenning, en dus taxatie. Zulks wordt ook expliciet bevestigd in een andere ruling van recentere datum (ruling 2015.508 van 12 april 2016). Op grond van het GIMLE arrest van het Hof van Justitie (arrest van 3 oktober 2013, zaak C-322/12) is die zienswijze mogelijk voor kritiek vatbaar. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd…