Het fiscaal visitatierecht: zet het Grondwettelijk Hof de deur op een kier?

Aan het Grondwettelijk Hof werd recent gevraagd of het huidig wettelijk kader inzake fiscale visitatie voldoende waarborgen biedt om het recht van de belastingplichtige op eerbiediging van zijn privéleven en zijn woning te beschermen tegen eventuele misbruiken van de fiscus tijdens een onaangekondigd bezoek (GwH, 12 oktober 2017, nr. 116/2017 – rolnummer 6503).

Het is belangrijk op te merken dat de prejudiciële vraag van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (Rb. Gent 27 juni 2016) zich enkel beperkt tot de fiscale meewerkverplichting van de belastingplichtige om de fiscale ambtenaren vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen en om de boeken en stukken die zich daar bevinden te onderzoeken. Het Hof werd dus niet bevraagd over het meenemen of kopiëren van (elektronische) gegevens n.a.v. de visitatie en geeft hierop aldus geen antwoord.

Voldoende wettelijke waarborgen tegen eventuele misbruiken van de fiscus tijdens een inval

Na een uitvoerige analyse van het wetgevend kader inzake de fiscale visitatie (t.t.z. het artikel 319 WIB en het artikel 63 WBTW) komt het Hof, binnen de contouren van de prejudiciële vraag, tot het besluit dat deze wetsartikelen in het licht van het recht op privacy en het recht op bescherming van de woning voldoende garanties bieden (voorlegging van de aanstellingsbewijzen, bescherming van het beroepsgeheim etc.) om de belastingplichtige te beschermen tegen een willekeurig optreden van de fiscus tijdens een onverwachte controle.

Het Hof antwoordt verder dat de belastingplichtige bij een plots bezoek van de fiscus de verplichting heeft om vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen en zijn medewerking moet verlenen aan de visitatie. Een zinvolle interpretatie van de meewerkverplichting vereist immers dat de fiscale administratie tijdens een fiscale visitatie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent.

Protest van de belastingplichtige

Betekent dit dat de fiscale administratie carte blanche krijgt en, zoals bij een razzia, kan binnenvallen bij de belastingplichtige zelfs wanneer deze laatste of diens gemachtigde zich hiertegen verzet? Neen, het Hof beklemtoont dat het de bevoegde ambtenaren vooreerst niet is toegestaan om het toegangsrecht af te dwingen. Beslist de belastingplichtige om de toegang te weigeren, dan kan er geen fiscale visitatie plaatsvinden.

Het Hof vertrekt in zijn arrest weliswaar van de fiscale meewerkplicht in hoofde van de belastingplichtige, maar maakt snel duidelijk dat een protest van de belastingplichtige om de toegang aan de fiscus te geven of inzage te verlenen in boeken en bescheiden een sleutelmoment is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een fiscale visitatie en zelfs voor het verdere verloop ervan (infra). Het arrest vermeldt zelfs dat de fiscus bij een fiscale visitatie niet over een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht van vrije toegang tot de beroepslokalen beschikt.

Verkiest de belastingplichtige om zijn meewerkverplichting met de voeten te treden, dan moet de fiscus dus aan de voordeur blijven staan.

Geen actief zoekrecht?

Ook wanneer de belastingplichtige tijdens de visitatie een protest uit bij het inkijken ter plaatse van boeken, stukken of bescheiden, kunnen de bevoegde fiscale ambtenaren deze inzage niet eigenmachtig afdwingen. Het Grondwettelijk Hof benadrukt wel dat de belastingplichtige zijn medewerking moet verlenen aan een visitatie om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen voor de fiscus.

Hiermee geeft het Hof impliciet te kennen dat de fiscus in geen geval over een actief zoekrecht beschikt, zelfs wanneer belastingplichtige weigert mee te werken. Alleen blijft er nog heel wat onduidelijkheid bestaan over waar de grens tussen de fiscale onderzoeksbevoegdheden van de fiscus en een actief zoekrecht zich juist bevindt.

Slagkracht van de fiscus bij protest van de belastingplichtige om toegang en/of inzage te verlenen

Het wapenarsenaal waarover de fiscus thans beschikt om een niet-meewerkende belastingplichtige te sanctioneren, beperkt zich bovendien tot het opleggen van een eerder geringe administratieve geldboete of – bij een overtreding bij bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden – een strafsanctie. Deze laatste sanctie veronderstelt een zware bewijslast voor de administratie en blijft in de praktijk vaak dode letter voor een strafrechter.

Het valt verder op dat de fiscus, volgens het Grondwettelijk Hof, een ambtshalve aanslag kan inkohieren waarbij de bewijslast inzake de juistheid van de taxatie verschuift naar de belastingplichtige. Dit is o.i. niet correct vermits een miskenning van artikel 319 WIB (nog) geen omstandigheid uitmaakt op grond waarvan de fiscus via het artikel 351 WIB een ambtshalve aanslag kan rechtvaardigen.

Tot slot kan de fiscus op basis van artikel 29, lid 2 Sv. de feiten die op grond van de belastingwetten en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn en waarvan zij kennis heeft gekregen in het kader van een fiscale visitatie, ter kennis brengen van de Procureur des Konings. Deze kennisgeving kan weliswaar aanleiding geven tot het opstarten van een fiscaal strafrechtelijk onderzoek, maar heeft tot grote nadeel voor de fiscus dat hij, bij het opstarten van een strafrechtelijk onderzoek, het dossier zo goed als volledig uit handen moet geven en vanaf de zijlijn dient toe te kijken hoe en welke informatie de gerechtelijke autoriteiten bijeensprokkelen. Het weze opgemerkt dat in dit laatste geval de strafrechtelijke autoriteiten (i.t.t. de fiscus bij een visitatie) wel manu militari de toegang kunnen afdwingen evenals een algemene actieve huiszoeking kunnen verrichten ook wanneer de belastingplichtige/verdachte zich hiertegen verzet.

The saga continues

Wat betreft het belang van het besproken arrest, moet worden beklemtoond dat de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen dwingende precedentswaarde heeft, maar de bodemrechter het besproken arrest wellicht als een algemene richtlijn zal hanteren. Bovendien heeft het Hof met dit arrest enkel een uitspraak gedaan binnen de grenzen van de prejudiciële vraag. Zoals aangehaald, neemt het Hof geen standpunt in over o.a. het meenemen of kopiëren van (elektronische) gegevens tijdens een visitatie. De discussie blijft bestaan omtrent de vraag of er al dan niet sprake is van een recht tot integrale (elektronische) kopiename. En zo ja, of het Belgisch wettelijk kader inzake de fiscale visitatie, voldoende garanties verleent aan de belastingplichtige in het licht van zijn recht op privacy en tegen een eventueel willekeurig optreden van de administratie.

Tot slot zal de uitspraak van het Grondwettelijk Hof ongetwijfeld aanleiding geven tot nieuwe wetgevende initiatieven die het de fiscus mogelijk moeten maken om obstructie van het fiscaal onderzoek zwaarder en vooral makkelijker te (laten) sanctioneren. Op deze manier krijgt de fiscus meer slagkracht en zal de belastingplichtige twee keer nadenken alvorens hij bijvoorbeeld de fiscus de toegang ontzegt.

Het is duidelijk dat de discussie rond de draagwijdte van het fiscaal visitatierecht nog lang niet ten einde is. De saga gaat maar door en de belastingplichtige blijft er, ter vrijwaring van zijn rechten, alle belang bij hebben om zich bij een fiscale visitatie tijdig te laten bijstaan door een fiscaal advocaat, die beslagen is in de fiscale procedure.